Dec 02

Cecil Breeden en de Bedford Boys deel 4

Iedere man was een held
tegen 7:30 UUR die ochtend dachten de Duitsers boven Dog Green dat ze de strijd hadden gewonnen. Ze stonden op het punt te doen wat Rommel hun had opgedragen: de vijand terugdrijven in de zee. De paar Amerikanen die nog in leven waren, vormden een gemak­kelijk doelwit. Er was geen spoor van versterkingen.
De commandant van Wilderstansnest (verdedigingsemplacement) 76 belde met het hoofdkwartier van de 352ste Divisie. 'Langs de water­kant bij eb in de nabijheid van St. Laurent en Vierville zoekt de vijand dekking achter de kustobstakels,' rapporteerde hij. 'Talloze voertuigen - waaronder tien tanks - staan brandend op het strand. De eenheden die de obstakels moeten vernietigen, hebben hun arbeid gestaakt. Het ontschepen vanuit de landingsvaartuigen is ten einde, de schepen hou­den zich verder zeewaarts op. De beschietingen vanuit onze verschan­singen en de artillerie waren succesvol en hebben gezorgd voor een aanzienlijk aantal slachtoffers onder de vijand. Op het strand liggen tal­loze gewonden en doden.'
Intussen naderden een steeds bezorgdere brigadegeneraal Norman Cota en kolonel Charles Canham het Dog White-strand, zevenhonderd meter ten oosten van de D-1 uitvalsweg. Hun schip vervoerde het per­soneel voor het hoofdkwartier van de 29ste Divisie, onder wie Jack Shea, de aide de cawp van Cota. Op tweehonderd meter van de kust stuitten ze op een serie houten balken die schuin uit het water staken. De geniesoldaten van het 146ste Speciale Onderwater Explosieven-opruimings-bataljon hadden deze dodelijke hindernissen uit de weg moeten ruimen, maar zij waren anderhalve kilometer naar het oosten geland. Ongeveer een derde van de houten balken was voorzien van Tèller-landmijnen die er met roestig prikkeldraad aan waren vastgemaakt.
De stuurman nam gas terug ter voorbereiding op de landing. Een tegenstroom van drie knopen per uur en de branding sleurden hen meermalen tegen een houten balk, waardoor de Tellermijn losliet van het obstakel. Tot hun grote opluchting explodeerde de mijn niet. 'De stuurman gaf gas, manoeuvreerde tot het schip vrij lag en liet de klep naar beneden’ herinnerde Shea zich. 'Toen de klep naar beneden ging, werd ons vaartuig met relatief bescheiden wapens bestookt.'
Terwijl ze onder vuur lagen, ploeterden Cota, Canham en hun personeel door ongeveer een meter water. Plotseling kwamen ze bij een geul, anderhalve meter diep en negen meter breed. Terwijl ze erdoorheen waadden, werd een zekere majoor John Sours, de S-4 inlichtingenofficier van het 116de Infanterieregiment, in de borst geraakt door machinegeweervuur waarna hij, met zijn gezicht naar beneden, dood in het water neerviel.
De dichtstbijzijnde schuilplek was een DD-tank van Compagnie C, van het 743ste Tankbataljon. Deze en zeventien andere tanks ston­den enkele meters voorbij de waterlijn. Ze waren zes minuten voor H-Hour aan wal gezet en de meeste ervan waren nu al lamgelegd. Twee tanks, die de D-1 uitvalsweg hadden bereikt, stonden in brand. Een ervan was de C-5, een andere DD-tank van Compagnie C. Hij was geraakt door kogels uit een 88mm-geweer, die vanuit de bunker aan de voet van de D-1 uitvalsweg waren afgevuurd. Cota en Canham reali­seerden zich dat de landing van de zo cruciale tanks op een totale mis­lukking was uitgelopen. Er was geen sprake van dekking gevend artil­lerievuur vanaf het strand zelf en dit betekende dat de manschappen waren overgeleverd aan de geschutstellingen en de soldaten met machinegeweren die over de gehele breedte van de kliffen klaarston­den.
De Duitsers vuurden nu vlakbaanpatronen af, keken waar die uit­eenspatten en stelden hun schot vervolgens bij. Binnen een paar minu­ten wisten ze de landingsvaartuigen in het vizier te krijgen terwijl deze strandden op de kust. Tegen de tijd dat de kleppen naar beneden waren gelaten, lagen de meeste voertuigen rechtstreeks onder vuur. Cota en Canham sprintten naar voren en wisten de zeewering van Dog Beach, zo'n anderhalve meter hoog, te bereiken.
Om de ongeveer vijftig meter waren er kleine houten hekjes aan­gebracht in de zeewering, die zo'n zes tot negen meter in zee uitstaken.
Langs de gehele lengte van de muur lagen kluwens toegetakelde en verlamde mannen afkomstig uit verschillende compagnieën. Officieren van de genie lagen zij aan zij met artsen, mannen van het 2de en 5de regiment Rangers en met marinepersoneel. Ze verkeerden allemaal in dezelfde benarde toestand. Of om met de woorden van luitenant Shea te spreken, ze zaten stevig 'in de klem!'
Cota en Canham kropen ineen achter de zeewering, terwijl de beschietingen met Duitse Nebelwerfers en mortieren verergerden. De meeste schoten belandden in het zand voorbij de zeewering, maar sommige ontploften tussen de Amerikanen en veroorzaakten afschu­welijke verwondingen en bloedstollende paniek. De kogels uit de Nebelwerfers spatten uiteen in grote scherven, gewoonlijk ter grootte van een spadeblad, die mannen in tweeën konden splijten als zij in de buik of in de lendestreek werden geraakt. De Nebelwerfers waren ech­ter minder fataal dan de mortieren, die veel meer stukjes over een gro­ter gebied uitspreidden en na de MG-42 mitrailleurs verantwoordelijk waren voor de meeste doden op Omaha Beach.
Hoe langer de mannen zich ophielden achter de zeewering, hoe groter de kans werd dat ze aan flarden werden geschoten. Kort na H-Hour waren pelotons van Compagnie C de steile oevers van Dog White gaan beklimmen via een route die duidelijk gemarkeerd stond op de invasieplattegronden van hun officieren. Op de een of andere manier zouden de mannen die nog achter de zeewering zaten ook een uitweg moeten vinden van Dog Beach, wilden ze in leven blijven.
Maar de tijd drong. De legerartsen werden nu al overweldigd door de omvang van de slachtpartij en werkten zich uit de naad met de beperkte middelen die ze hadden: vaak alleen verband en morfinespuiten en een paar capsules met sulfa. Overal lagen mannen met ernstige hoofd- en buikwonden. Mannen die ledematen hadden verloren, stier­ven snel door bloedverlies, tenzij hun kameraden een tourniquet wisten aan te leggen, wat velen deden, met behulp van stukjes touw, riemen, en zelfs afgescheurde repen uniform. Ingewanden en inwendi­ge organen moesten worden teruggeduwd in de lichamen van mannen die door de schok met stomheid waren geslagen. Er waren zo veel gewonden, zo veel ernstige gevallen, merkte Shea op, dat 'gapende hoofd- en buikwonden met dezelfde snelle efficiëntie werden verbon­den als minder grote verwondingen.'
Luitenant Ray Nance was alle gevoel voor tijd verloren toen hij bloedend op de kiezelstenen achter de zeewering nabij de D-1 uitvals­weg naar Vierville lag. Op een gegeven moment zag hij iets wat leek op een Duitse pantserwagen. Het leek of de strijd was verloren: de Duit­sers voerden een tegenaanval uit en dreven het 116de Infanterieregiment terug de zee in.
Het is een groot fiasco, dacht Nance. Ze vegen de vloer met ons aan.
Maar toen zag hij de zon weerspiegeld in de zijkant van een tank. Nance zag de 'fraaie witte ster' die op alle Amerikaanse voertuigen stond afgebeeld. Het was een Sherman. Hij staarde naar de ster en voelde zich meteen een stuk beter.
Toen, ineens, stond er een marinearts in een groene overal over hem heen gebogen. Nance was doorweekt en bedekt met olie en vet. De arts zag er onberispelijk uit, en kurkdroog. Hij knielde naast Nance neer en begon hem te onderzoeken. Hij had eerder gevochten. Dat bleek duidelijk uit de manier waarop hij zich onder vuur gedroeg.
'Dit is erger dan Salerno,' zei hij tegen Nance.
De hospik gaf Nance een morfine-injectie, opende diens spijkerschoen en verbond zijn gewonde hak. Op een gegeven moment was Nance ook in zijn hand en later opnieuw in zijn voet geschoten. Hij was een van de weinigen die erg veel geluk had. Hij had 'wonden van één miljoen' die ernstig genoeg waren om de oorlog vaarwel te zeggen, echter niet levensbedreigend.
'Sterkte,' zei de marinearts.
Het volgende moment was hij verdwenen. Gewonde soldaten om Nance heen hadden hem niet gezien: Nance ijlde. Maar Nance wist dat hij bestond. Hij wist het gewoon. De arts, als door de hemel gezonden, had hem gered en was verder gegaan. Alleen God wist waarheen.
Nance keek om zich heen, de morfine begon zijn werk te doen. Hij zag twee dode mannen met hun gezicht naar boven. Hij herkende bei­den. De ene was een officier van Compagnie D. Plotseling merkte hij dat er een andere man naast hem zat: Cecil Breeden.
Breeden controleerde de verschillende verbanden van Nance en meldde dat hij de lijken had gezien van kapitein Fellers, John Schenk en John Wilkes. Ze waren allemaal waarschijnlijk binnen enkele minuten na aankomst op het strand door Duitse machinegeweren neergeknald. Voor zover Breeden wist, was Nance de enige nog levende offi­cier van Compagnie A, dus had hij het bevel over de restanten ervan.
Intussen verplaatsten Cota en Canham zich van de ene naar de andere groep mannen, hen aanmoedigend om zichzelf te bewapenen met wat ze maar aan wapens konden vinden om vervolgens zo snel mogelijk het strand te verlaten. Plotseling werd Canham door zijn linkerpols geschoten. Hij liep verder over het strand, in zijn goede hand een Colt .45 meevoerend, terwijl het bloed uit zijn wond spoot.
'Hospik!'
Cecil Breeden kwam meteen, wikkelde een verband om Canhams pols en vervolgde haastig zijn weg. Cota stelde voor dat Canham zich terug zou trekken. Canham weigerde en sloop verder langs de zeewe­ring, zoekend naar een geul, een zwak punt, waar dan ook, waarlangs ze de heuvels zouden kunnen beklimmen. Zijn lijfwacht volgde hem op de voet en herlaadde Canhams Colt .45 om de paar minuten.
Achter de zeewering, aan de voet van de D-1 uitvalsweg, keek Hal Baumgarten in oostelijke richting, waar hij een gedaante met rechte rug over het strand zag lopen, 'een engel van genade,' die hier en daar bukte om de stervenden te troosten en anderen op te kalefateren... Toen Cecil Breeden eindelijk bij Baumgarten was, gaf hij hem twaalf sulfatabletten met het advies wat water te drinken. Hij was sterk uitge­droogd. Granaten en mortierschoten kwamen overal om hen heen neer. Breeden leunde over Baumgarten heen, zich schijnbaar onbewust van het zware geschutvuur, en legde een drukverband aan op diens gezicht.
Baumgarten probeerde Breeden naar de grond te trekken, buiten de vuurlinie, maar hij sloeg diens hand weg.
'Jij bent nu gewond,' zei Breeden. 'Als ze mij te pakken krijgen, mag je mij helpen.'
In Baurngartens ogen was Breeden 'waarschijnlijk de grootste held van D-Day.' Breeden zou de oorlog overleven en vergezelde Compag­nie A helemaal naar Duitsland zonder een schrammetje op te lopen. Ondanks aanhoudende en eensgezinde pogingen door talloze overle­venden, en Baumgarten in het bijzonder, stierf Breeden zonder dat hij een militaire onderscheiding kreeg als erkenning van zijn heroïsme op Omaha Beach: heroïsme dat allen die op het randje van de dood zweef­den hoop schonk.
Een later verschenen rapport van de Medische Afdeling van het Amerikaanse leger vermeldde dat 'door de handelwijze en het voor­beeld van mannen als hospik Breeden veel overlevenden [van Com­pagnie A] de wilskracht vonden om talloze gewonden te redden van het naderende tij, door hen van het strand te halen en op een beschutte positie achter te laten, waar andere overlevenden van een Compagnie zich hadden verzameld. Als Breeden er niet was geweest, waren ze mogelijk allemaal op het strand gestorven.'
'Iedere man was een held, ik heb niet één lafaard gezien,' zei Bree­den later met de voor hem typerende bescheidenheid. 'Toen ik Baumgarten vond, lag zijn gezicht aan één kant grotendeels open. Ik lapte hem op en vervolgde mijn weg. Ik keek nu en dan naar de jongens die die vervloekte bunker [aan de voet van de uitvalsweg] probeerden in te nemen. Als ik het me goed herinner, kostte het zes levens of meer om dat voor elkaar te krijgen. Voor zover ik weet heeft niet een van hen het overleefd. Ik zou niet kunnen zeggen wie erbij waren. Ik was gewoon te druk om te beseffen wat er om me heen allemaal gaande was. '
   Breeden verliet Baumgarten om ongeveer 8:15 uur. Over de gehe­le lengte van Dog Green begonnen manschappen zich te organiseren, hun gezichten getekend door verschrikkingen en vastberadenheid. Onder hen was ook 'Big Bill' Presley, sergeant-majoor van Compagnie B. Breeden zag Presley over het strand lopen, ogenschijnlijk de kogels en granaatscherven die hem om de oren suisden vergetend.
'Wat doe je?'vroeg Breeden. 'Ik zoek verdomme een geweer dat het doet,' antwoordde Presley, wijzend naar de kliffen. Een aantal van zijn mannen was de zeewering al voorbij.
'Ga liggen of je gaat eraan,' beval Presley. 'Waar heb je het in vredesnaam over?' vroeg Breeden. 'Jij bent ver­domme een veel groter doelwit dan ik.'
Presley grijnsde en liep verder. Het duurde niet lang voor hij met een M1-karabijn op de arm terugkeerde, hij zwaaide naar Breeden, om zich daarna bij zijn manschappen te voegen.
 Tegen 8:30 uur waren er zo'n vijfduizend manschappen afgezet op net zesenhalve kilometer lange strand van Omaha Beach. Op zee rea­liseerden marinecommandanten zich dat er iets vreselijk mis was gegaan. Volgens plan Overlord moesten de 1ste en 29ste Divisie inmiddels landinwaarts zijn getrokken. Maar wanneer waarnemers door hun verrekijkers en telescopen tuurden, zagen ze dat de soldaten golf na golf op het strand vastliepen. Over de gehele lengte van de branding ontvouwde zich een gruwelijk beeld, bestaande uit dode mannen, lichaamsdelen en grote hoeveelheden materialen die essentieel waren om uitvalswegen te forceren vanaf het strand: pakketten TNT, dozen met ammunitie, draadscharen en ontelbare Bangalore-torpedo's. Met name het verlies van communicatieapparatuur was ernstig. Drie van de vier radio's van het 116de  Infanterieregiment waren nutteloos gewor­den.
Beseffend dat dekking essentieel was en gegeven het feit dat de meeste amfibische tanks buiten werking waren gesteld of gezonken, brachten commandanten van de Amerikaanse en Britse marine hun schepen zo dicht mogelijk bij de kust, waarbij een aantal werkelijk over de zeebodem schuurde, waarna ze hun 12cm-kanonnen op de heuvels en kliffen richtten. Maar waarop moesten ze schieten? Slechts een handjevol mannen dat langs de zeewering voor zijn leven vocht had radio's om de salvo's vanaf de schepen te dirigeren. Niettemin openden de oorlogsschepen het vuur. Op een gegeven moment moesten wan­hopige soldaten vlagsignalen gebruiken om het zware spervuur op hun strandsector te stoppen. Maar voor de meeste mannen, zoals Bob Slaughter, waren de bombardementen een opkikker die hard nodig was om het moreel hoog te houden.
Sinds hij aan wal was gegaan, had Slaughter ineengehurkt achter de zeewering gezeten. Plotseling zag hij verschillende officieren zijn kant op komen. Slaughter herkende Canham, met zijn arm in een mitella en een Colt .45 in zijn onbeschadigde hand.
'Ze maken ons in hier!' schreeuwde Canham. 'Laten we landin­waarts gaan, dan kunnen ze ons daar inmaken!'
'Wie is die klootzak in godsnaam?' vroeg een soldaat.
Tedere Stonewaller zou het antwoord voor het einde van de dag weten, want Canham leek overal rond te zwerven. 'Tijdens de training zou hij neergeknald zijn,' herinnerde Russell Pickett van Compagnie A zich. 'Maar zodra de strijd was begonnen, toonde hij zich een waar sol­daat.' Er zijn maar weinig veteranen die zullen aanvechten dat Canham de meest opzienbarende regimentscommandant van D-Day was.
Brigadegeneraal Norman Cota was al even moedig en vormde een bron van inspiratie. Hij gaf mannen hoop, ook al was die er niet. Som­migen vonden de wilskracht om door te vechten eenvoudigweg door naar hem te kijken, zo uitdagend als hij rondstapte, met rechte rug, kauwend op zijn onaangestoken sigaar en deuntjes murmelend als hij niet bezig was de Duitsers te vervloeken.
Hal Baumgarten zou nooit meer vergeten hoe Cota's magere gestalte die ochtend op hem afkwam. Het was alsof hij onsterfelijk was; vanaf het begin waren officieren als eerste door scherpschutters neer­geknald. 'Hij kwam vanuit het westen met een majoor, had een pistool in zijn hand en de jongens riepen allemaal dat hij plat moest gaan. Hij had veel weg van de acteur Robert Mitchum met zijn scheve wenk­brauwen. Hij was erg, erg moedig.'
Overal op Dog Beach keken anderen toe, terwijl Cota zich van de ene naar de andere groep verplaatste en de Rangers aanspoorde om als eerste het strand te verlaten. Geïnspireerd door Cota begonnen de officieren hun mannen te organiseren om op te kunnen rukken.
Cota had een stuk zeewering ontdekt met zo'n vijf meter daarach­ter een lage hoop aarde. Hij gaf een Ranger het bevel om een Brow­ning automatisch geweer op de kleine heuvel te richten. Vervolgens kroop hij achter de man aan en beval hem om voor dekking te zorgen. Daarna regelde Cota dat er een opening werd geblazen in de brede haag van prikkeldraad die langs het uiteinde van een drie meter brede promenade aan de andere kant van de zeewering was aangebracht.   Rook van brandend gras onttrok het strand deels aan het zicht. Cota maakte van de gelegenheid gebruik om zich te verplaatsen, terwijl het zicht van 'de Duitse schutters werd gehinderd.    'Rangers, leid de weg!'
De eerste man die door de opening rende, werd neergehaald door een MG-42.
'Hospik,' schreeuwde hij. 'Hospik, ik ben geraakt. Help me.'
Een paar minuten later begon hij onophoudelijk 'mama' te snikken en toen stierf hij.
Verscheidene mannen die Cota vergezelden werden opnieuw ver­lamd door doodsangst. Cota nam wederom het voortouw en stormde door de opening. Zijn manschappen volgden hem over de promenade, door de opening in het prikkeldraad, naar een moerassige weide. Cota, zijn aide de camp Shea en verschillende secties wrongen zich door de ondiepe loopgraven en bereikten uiteindelijk de voet van de kliffen bij Vierville.
'Een enkele rij manschappen, bestaande uit schutters van het 1ste  bataljon van het 116de Infanterieregiment, Rangers en enkele leden van het 82ste Chemische Mortierenbataljon (bewapend met karabijnen) beklommen vervolgens de heuvels, diagonaal en rechts houdend,' schreef Shea later. 'Ze bereikten de top tot op een punt zo'n 100 meter ten westen van een kleine betonnen fundering (duidelijk van een zomerhuisje) die op ongeveer 25 meter onder de heuveltop lag. Tij­dens de klim werden een paar mijnen tot ontploffing gebracht, maar het waren er niet veel.'
Het was inmiddels ongeveer 9:00 uur. Canham had de eerste com­mandopost van de 29ste Divisie ingericht aan de voet van de heuvels. Hij probeerde contact te leggen met de 1ste  Divisie op de oostelijke helft van Omaha Beach, maar dat mislukte. Plotsklaps werd de com­mandopost geraakt door enkele zeer nauwkeurige gerichte mortierschoten. De mortieren veroorzaakten de dood van twee mannen die slechts op een meter afstand van Cota stonden, en ook zijn radiobediende raakte zwaargewond, doordat hij negen meter tegen de berg op werd geslingerd. Cota's aide de camp, luitenant Shea, werd bijna 25 meter bergafwaarts geblazen maar raakte slechts licht gewond.
Cota zette zijn klim voort en spoorde ook zijn mannen aan. Maar weer was er oponthoud, deze keer vlak onder de heuveltop. Iemand schreeuwde dat ze naar beneden moesten kijken. Een eenzame Ameri­kaanse schutter liep over de promenade. 'Voor hem liepen vijf Duitse gevangenen die waren ontwapend en hun handen boven hun hoofd hielden. Aangezien het de eerste Duitsers waren die de mannen te zien kregen, wekten ze veel belangstelling.'
Een MG-42 gromde. Twee gevangenen werden geveld. De Ame­rikaan dook op de zeewering af. Twee andere gevangenen vielen op hun knieën, alsof ze de Duitse soldaat met het machinegeweer smeek­ten om hen te sparen. 'Het daaropvolgende schot raakte de eerste knie­lende Duitser vol in de borstkas,' herinnerde Shea zich, 'en terwijl hij ineenstortte, zochten de andere twee dekking achter de zeewering, naast hun overmeesteraar.'
Cota wist de top van de heuvels eindelijk te bereiken. Een andere mitrailleur werd afgevuurd vanuit een heg zo'n driehonderd meter landinwaarts aan de overkant van een vlak stuk land. De mannen doken ineen, net onder de heuveltop. Cota vroeg wie het bevel voerde. Nie­mand antwoordde. 'Ondanks de beschietingen,' meldde Shea, 'liep Cota tussen de mannen door en leidde de aanval over het veld per­soonlijk, waarbij hij hun opdroeg om tijdens de opmars voortdurend op de heggen te schieten... Het mitrailleurvuur hield op zodra de man­schappen zich door het veld die kant uit bewogen.'
Cota leidde zijn mannen vervolgens langs de omtrek van het veld, de heg gebruikend als dekking, tot hij een smal landweggetje bereikte op zo'n zeshonderd meter van Vierville-sur-Mer. Terwijl hij via dit weggetje oprukte, zag Cota andere overlevenden van het 1ste  bataljon van het 116de en Rangers die ook vechtend het strand hadden weten te verlaten. Er was minimale tegenstand toen Cota en de andere mannen het dorpje Vierville-sur-Mer binnentrokken en vervolgens doorliepen naar de kruising in het centrum van het dorp, waar Rov Stevens ver­ondersteld werd zijn broer Ray te ontmoeten. Bij dit kruispunt, zo tegen het middaguur, troffen Cota en kolonel Canham elkaar weer.
 De overlevenden van het 1ste Bataljon zouden verder oprukken Haar het westen om de Rangers bij te staan die die ochtend de opdracht hadden om geschutsposities boven op de kliffen van Pointe du Hoc, aan het uiteinde van Omaha Beach, uit te schakelen. Het was verder van groot belang om, voor de Duitsers een tegenaanval inzetten, de D-1 uitvalsweg open te leggen zodat voertuigen en manschappen land­inwaarts konden trekken en een bruggenhoofd konden bouwen. Cota formeerde een verkenningspatrouille bestaande uit drie officieren en twee gewone soldaten en ging op weg naar de D-1 uitvalsweg. Het tij leek eindelijk ten gunste van de Amerikanen te keren. Inmiddels waren ook andere groepen door de verdedigingswerken op het strand gebroken en trokken ze al vechtend door de heuvels over de gehele lengte van Dog Green en andere sectoren van Omaha Beach. Hal Baumgarten voegde zich bij elf andere mannen, van wie het merendeel gewoond was. Ze haastten zich door een loopgraaf halver­wege de Vierville-heuvels, waar ze over dode Duitsers moesten stap­pen. Van een van hen was het hoofd eraf geblazen. Baumgarten vroeg zich af of het de man was op wie hij eerder die ochtend had geschoten. l  Een machinegeweer ratelde in een strandhuisje vlakbij. Ondanks zijn wonden voelde Baumgarten zich 'opmerkelijk sterk'. De adrenaline gierde door zijn lichaam. Hij kreeg een Duitser in de gaten, legde aan en vuurde. Het was pas de tweede keer die dag dat hij dat deed. Een kleine roodharige soldaat gooide er een granaat achteraan en het machinegeweer zweeg. Baumgartens groep bestond nu nog uit acht man. De hele middag zou Baumgarten, samen met andere overleven­den van Compagnie A en B, doorvechten. Tegen vijf uur die middag zou zijn groepje nog zeven man tellen en had het minstens nog eens tien Duitsers gedood.
Steeds meer soldaten wisten Dog Beach te verlaten en landin­waarts te trekken. Kapitein Robert Walker van het hoofdkwartier van het 116de Infanterieregiment was rond 7:30 uur naar de kust gezwom­men. Tegen 12:30 uur was hij 'zo halverwege de top' van de heuvels. 'Ik rustte even uit in een kleine greppel,' herinnerde hij zich. 'Na een poosje hoorde ik het geluid van iemand dichtbij, die kreunde en om hulp riep. Het was zo'n vijf, zes meter bij me vandaan. Behoedzaam ging ik op onderzoek uit en trof een Duitse soldaat aan, die ernstig gewond was aan zijn lies. Hij was al behandeld door een hulpverlener. Er zat een verband, besprenkeld met sulfapoeder, losjes om de wond. Hijgend bracht hij uit: 'Wasser, 'wasser - Duits voor "water".
Ik veronderstelde dat hij een sulfatablet toegediend had gekregen, waarvan je erge dorst krijgt. In het Duits vertelde ik de man dat ik geen water bij me had en niet wist waar ik het moest halen. Hij vertelde daarop dat er een bron was. Hij noemde het ein born, zo'n vijftien meter verderop. Ik geloofde hem niet, maar ik bewoog me niettemin in de richting die hij had aangegeven. Verbluffend genoeg was er inderdaad een bron, een soort van waterpoel met ogenschijnlijk helder water. Ik vulde mijn helm met water en bracht dat naar hem toe. Nadat hij gretig had gedronken, bedankte hij me uitvoerig. Ik liet wat water bij hem achter in zijn veldfles. Zijn gekreun werd geleidelijk zwakker en hij stierf niet lang daarna.'
Twintig kilometer verderop, op zee, gingen John Barnes, Roy Ste­vens en andere overlevenden van hun landingsvaartuig aan boord van de Evnpire Javelin. De meesten waren vrijwel naakt onder de dekens. Sommigen waren zelfs hun identiteitsplaatje kwijt. De shock had plaatsgemaakt voor verdovende uitputting. Ze snakten naar slaap, maar slapen lukte niet. De slag op Omaha Beach woedde nog in alle hevig­heid.
Op de Empire Javelin was het ontmoedigend stil. Slechts enkele uren eerder wemelde het op de verschillende dekken van de gespannen soldaten. John Barnes had zijn portefeuille weten te redden uit zijn doorweekte uitrusting. Hij haalde zijn invasiegeld eruit, legde de bil­jetten op een bed te drogen en ging toen aan dek. Een tijdje later keerde hij terug naar de kooi om te gaan rusten. Het geld was verdwenen.   Verscheidene mannen wilden zich opnieuw bewapenen en met het eerstvolgende landingsvaartuig terug naar het strand. Ze kregen te  horen dat dit onmogelijk was. De overgebleven LCA's konden niet  meer verder ingezet worden op D-Day. De meeste waren zwaar beschadigd en gingen schuil onder een laag gestold bloed en braaksel. De vloot moest terugkeren naar Engeland voor belangrijke reparaties. En trouwens, de mannen waren veel te vermoeid om nog effectief te kunnen vechten. 'We moesten aan boord blijven, terug naar Engeland, onszelf herbewapenen en terugkeren naar de rest van de compagnie,'  wist John Barnes te vertellen. 'Gearing had een reservegeweer weten te  bemachtigen en verkondigde dat hij met een passerend Amerikaans  vaartuig zou meeliften. Hij beval ons bij elkaar te blijven en droeg het  bevel over aan sergeant Stevens, onze leider zonder officiersaanstelling. Het leed geen twijfel dat Stevens ons zou helpen terug te keren, aangezien hij zich zorgen maakte om zijn broer Ray.'
 Roy Stevens, Charles Fizer, Harold Wilkes en Clyde Powers, alle­maal afkomstig uit Bedford, hoorden een constant spervuur, dat voor­al intensief was tussen 12:00 en 13:00 uur 's middags, toen verschillen­de Amerikaanse en Britse torpedobootjagers, die nu werden gedirigeerd door waarnemers op de wal, de bunker en loopgraven rond de D-1 uitvalsweg hevig onder vuur namen.
 De explosies deden diverse mannen in Cota's patrouille op de grond belanden. 'De klap die de uitbarstingen van deze kanonnen ver­oorzaakte, leek het wegdek van de straten in Vierville werkelijk onder onze voeten op te tillen,' herinnerde luitenant Shea zich.   'Ik hoop in vredesnaam dat ze eens ophouden met die beschietin­gen,' verzuchtte een van Cota's mannen.
  De batterijen van het oorlogsschip Texas vuurden telkens vier sal­vo's van vier schoten elk af. Collega-torpedobootjager McCook zond vervolgens via de radio het bericht naar het strand dat de Duitsers de bunker aan de voet van de uitgang en andere stellingen ontvluchtten.
Toen Cota en zijn patrouille de uitvalsweg van het strand vanaf Vierville betraden, stopten de beschietingen van de marine. De rook steeg op, waardoor een weg bedekt met betonstof en gehuld in bitter smakende cordietwalmen in het zicht kwam. De weg leidde naar het onderliggende Dog Beach.
'Die schietpartij heeft ze waarschijnlijk teruggedreven in hun holen,' waarschuwde Cota. 'Maar houd die kliffen daar rechts scherp in de gaten.'
Ze volgden de weg naar beneden. 'Er werd een paar maal met kleinere wapens op de patrouille geschoten, maar een twaalftal kara­bijn- en pistoolschoten was voldoende om de vijf Duitsers uit de spe­lonken van de oostelijke bergwand langs de strandweg te drijven,' her­innerde Shea zich. 'Ze werden ontwapend toen ze bij de weg kwamen en voor de patrouille uit gedreven, terwijl deze verder marcheerde naar het strand.'
De Duitsers leidden de weg door een mijnenveld in de buurt van de stranduitvalsweg en vervolgens betraden Cota en zijn patrouille Omaha Beach.
Vlak bij het begin van de strandweg en een eerstehulppost op Dog Beach bevonden zich een groepje Rangers en enkele tientallen zwaar­gewonden en doodvermoeide overlevenden van Compagnie A en B. Onder de gewonden waren enkele Bedford boys, onder wie Dickie Overstreet, Anthony Thurman, luitenant Ray Nance en de 116 Yankee-honkbalspeler Tbny Marsico.
Stafsergeant Anthony Thurman was geraakt in zijn arm en zijn schouder: zijn zenuwen waren aan flarden geschoten. Hij zou nooit meer volledig herstellen van het psychologische trauma dat D-Day had veroorzaakt. Sergeant Marsico was in zijn been geraakt en een kogel was dwars door zijn arm gevlogen toen hij het strand overstak. 'Ik dacht dat het er behoorlijk heftig aan toe zou gaan tijdens de invasie, maar ik wist niet dat het zo erg zou zijn,' herinnerde Marsico zich, die weldra geëvacueerd zou worden naar een ziekenhuis in Engeland, net als zijn kameraden uit Bedford die het ook hadden overleefd. 'Ik ben geen held, dat weet ik. De helden zijn degenen die het niet hebben gehaald.'
Er was nog een laatste obstakel dat de uitvalsweg over het strand naar Vierville blokkeerde: een antitank muur aan de voet van de uitvalsweg. Een geniesoldaat plaatste er een lading TNT naast en de muur werd rond 13:30 uur opgeblazen. Daarna rukten de Rangers op via de strandweg en begonnen ze de laatste verzetshaarden van Duit­sers in de heuvels op te ruimen.
Ten koste van enorme verliezen hadden het 116de Infanterieregiment en de Rangers de D-1 uitvalsweg veroverd. De uitdaging zou zijn om hem in handen te houden. Cota, die de vorderingen op het andere uiteinde van het aan de 29ste Divisie toegekende stuk strand wilde aan­schouwen, wandelde over de promenade naar het volgende dorpje ten oosten van Vierville, Les Moulins.
   Later die middag, nadat Vierville was ingenomen, begonnen de manschappen terug te keren naar het strand voor medische hulp. De 27-jarige soldaat Warner 'Buster' Hamlett van Compagnie F wist al strompelend het strand te bereiken. 'Er lagen duizenden lijken. Je kon over de lichamen lopen, zo ver je over het strand kon kijken, zonder de grond daadwerkelijk aan te raken. Lichaamsdelen - hoofden, benen en armen - dreven in zee. Artsen en andere medische hulpverleners liepen op en neer, de gewonden behandelend. Toen ik me voorzichtig tussen mijn Amerikaanse kameraden begaf, besefte ik pas wat het inhield om mee te gaan in de eerste aanvalsgolf.'
Luitenant Ray Nance lag bij een eerstehulppost op het strand. Een sergeant had hem die ochtend enkele honderden meters langs de zeewering op zijn schouder meegedragen. 'Laat die middag,' herinnerde Nance zich, 'kwam tweede luitenant Gearing alleen aan wal... Hij  kwam naar me toe en ik vertelde hem wat ik wist. Ik zei: "Hé, volgens mij ben jij het nu: compagnieaanvoerder." Ik heb nog nooit zo veel  medelijden met iemand gehad als met hem, toen hij vertrok. Hij wist  niet wat hem te wachten stond.' Gearing was de enige officier van  Compagnie A die niet was gesneuveld of gewond geraakt. Van de vijf  officieren in Nance' stapelbed op de Empire Javelin diezelfde ochtend  waren alleen Nance en Gearing nog in leven.
Om 19:00 uur ontdekte Nance een andere bekende: generaal Gerhardt, commandant van de 29ste Divisie. Hij zag er even onberispelijk jen zelfverzekerd uit als altijd toen hij aan wal ging, met twee glim­mende revolvers om zijn middel. Tegen het invallen van de avond zou  Gerhardt een commandopost hebben ingericht in een steengroeve  nabij de Vierville-uitvalsweg.
Voor Hal Baumgarten was de strijd echter nog niet voorbij. Tegen de avond was hij helemaal doorgedrongen tot de heuveltoppen, op weg naar een dorpje ten westen van Vierville, Maissey Ie Grand geheten. Terwijl Baumgarten over een landweggetje sloop, trapte hij op een zogenaamde castratiemijn. Een kogel schoot dwars door zijn voet.
'Toen ik mijn schoen omdraaide, spoot het bloed eruit als water uit een kan,' herinnerde Baumgarten zich. 'Gebruikmakend van mijn eerstehulpdoos, strooide ik er sulfapoeder op en verbond ik mijn voet, waarin een duidelijk gat zat.' Plotseling kwam Baumgarten onder zwaar granaatvuur te liggen. Hij rukte het verband eraf, duwde zijn voet terug in zijn laars en dook weg achter een heg. Daar bleef hij samen met zeven andere soldaten zitten tot de duisternis inviel, waar­na ze de weg overstaken op zoek naar een nieuwe schuilplek. Het Duit­se granaatvuur was nauwkeuriger geworden: Baumgarten vermoedde dat iemand hen had ontdekt.
Terwijl Baumgarten met zijn groepje voorwaarts bewoog, begon een MG-42 te ratelen die ieder van hen raakte. 'Ik werd door mijn lin­ker liphelft geschoten en raakte een deel van mijn rechter bovenkaak, tanden en tandvlees kwijt.' In de buurt schreeuwde een van de mannen:
'Jezus, help me!' De anderen kreunden van de pijn. Baumgarten ver­loor zich in een 'hallucinaire droomtoestand';
Ik zag een doos met lekkers van mijn moeder voor me die ik in Kamp D-1 opende. De zelfgebakken koekjes, cake en salami deelde ik met mijn maten van Compagnie A. Ze roosterden de met groene schimmel bedekte salami (het resultaat van een lange zeereis vanuit de Verenigde Staten), die ze in stukken aan hun bajonet hadden geregen, hoven een open vuur.
Terug op Dog Beach zag Thomas Valance - een van de weinige over­levenden uit de boot van sergeant-majoor John Wilkes - hoe de duisternis tegen 23:00 uur inviel. Hij was op een brancard gelegd, op een open plek omringd door prikkeldraad. Enige tijd na het invallen van de duisternis droegen soldaten van de medische dienst hem naar een LST (landingsschip) die afgeladen was met gewonden en medische noodvoorzieningen. Hij was op weg terug naar Engeland. Na drie maanden in uiteenlopende ziekenhuizen zou hij terugkeren naar Normandië en vervolgens verder vechten in Duitsland voordat hij in december 1945 terugkeerde naar Amerika.
'Ik heb me door de jaren heen over één ding verwonderd,' schreef Valance op Veteranendag 1987, 'en dat is waarom wij, Compagnie A van het 1ste Bataljon, het 116de Infanterieregiment van de 29ste Divisie, werden uitgekozen om het Amerikaanse equivalent te zijn van de Duit­se stormtroepen. Was het omdat we zoveel potentieel hadden? We hadden geen gevechtservaring en de andere troepen die in onze buurt opereerden, zoals de 1ste  Divisie, waren grondig getraind. Of was het 'puur omdat we als vervangbaar werden beschouwd?'
Uiteindelijk liep de langste dag ten einde. Er waren naar schatting 2500 slachtoffers gevallen op Omaha Beach en ongeveer een tiende van dat aantal op Utah, het andere 'Amerikaanse' strand. Het totaal aantal slachtoffers - dood en gewond - binnen de gehele Geallieerde Strijdkrachten lag rond 10.000, een verlies van 10 procent op een totaal van 100.000 manschappen die inmiddels in Normandië waren aangekomen, en veel minder dan de 25 procent die de generaals van de Geal­lieerden hadden voorspeld met betrekking tot de infanterie.
 Overal langs de heuvels en heggen die zovelen het leven hadden "gekost, groeven mannen van het 116de Infanterieregiment zich in voor de nacht. De meeste mannen hadden al meer dan twee dagen slecht geslapen. Velen hadden amper de kracht om ondiepe schuttersputjes te graven. 'We begonnen een schuttersput te graven,' herinnerde een sol­daat zich, 'maar de grond was keihard en we waren allebei totaal uit­geput tegen de tjjd dat het gat zo'n 8 cm diep was. Uiteindelijk, terwijl  we daar stonden in het donker en beseften dat het zinloos was om zo  verder te gaan, zei mijn sergeant: 'Krijg de kolere. We gaan gewoon liggen en proberen wat rust te krijgen.' En zo kwam D-Day ten einde, waarna wij rug aan rug in een ondiepe loopgraaf de nacht doorbrach­ten.'
Ergens rond middernacht werd Hal Baumgarten wakker op de weg boven de heuvels van Omaha Beach en zag Duitse gevechtsvliegtuigen overvliegen. Alle mannen van zijn groepje waren bezweken aan hun verwondingen. Baumgarten had het gevoel dat hij stervende was. Hij had weinig pijn: niet meer dan een koude klamheid en een ver­doofd gevoel in zijn hele lichaam. Om de kwelling van vier wonden, opgelopen binnen twintig uur, te verdragen injecteerde hij zichzelf voortdurend met morfine. Om uitdroging te voorkomen dronk hij uit de veldflessen van zijn dode kameraden.
Bob Slaughter van Compagnie D zag dezelfde verlate aanval door de Luftwaffe. 'Een vijandelijk ME-109 vliegtuig vloog over de hele ge­allieerde vloot, van links naar rechts, over de versperringsballonnen heen. Elk schip in Het Kanaal opende het vuur op dat ene vliegtuig, de hemel verlichtend met miljoenen lichtspoorkogels. De heroïsche Luftwaffe piloot trotseerde ze allemaal, deed zelfs geen poging ze te ont­wijken. Ik vroeg me af hoe hij ooit door dat gordijn van vuur heen is gekomen.'
Bob Sales van Compagnie B en verschillende uitgeputte mannen uit Virginia zochten een plekje om wat broodnodige slaap te krijgen. 'Het was erg koud,' herinnerde Sales zich. 'Ik had nooit kunnen dro­men dat het in juni zo koud kon zijn in Frankrijk. Daarom ruilde ik bij een oude vrouw wat proviand voor een deken en sliep ik met mijn wapen vlak naast me, rug aan rug met een andere vent. Ik werd plotse­ling wakker en dacht dat het Bob Slaughter was die me wakker pro­beerde te porren, maar hij verroerde zich niet. Het was de oude Fran­se vrouw die haar deken terug probeerde te stelen. Ik richtte mijn geweer op haar en ze rende weg.'
Rond 3:00 uur 's nachts tilden twee hulpverleners Hal Baumgarten in een ambulance. Zijn uniform droop van het bloed van collega-Stonewallers, mannen die 'alles gaven en nooit beloond zouden wor­den voor hun moed.' De ambulance bracht Baumgarten naar Dog Beach, waar hij op een brancard werd gelegd naast andere gewonden.
Ongelooflijk genoeg was de strijd nog niet over voor Baumgarten en de mannen om hem heen. 'Terwijl ik op een brancard op het strand lag, zo rond 10:00 uur op 7 juni 's ochtends, schoot een scherpschutter een van de hulpverleners dwars door zijn rode kruis heen. Vervolgens schoot hij mij in de rechterknie en begon hij alle gewonden om me heen te beschieten. Het volgende schot zou door mijn hoofd zijn gegaan. Maar de torpedobootjager McCook voor de kust trof de scherp­schutter voor deze de kans kreeg mij te vermoorden.'
Baumgartens langste dag was eindelijk voorbij. Maar voor het handjevol dat ongeschonden uit de strijd was gekomen, begon de nachtmerrie in Normandië nog maar net.

Author: Fred Vogels
Print PDF

The overseas

USA

One of the Allies of Operation Overlord. See their story

BEGIN HERE >>

 

D-day

Information about the biggest battle

BEGIN HERE >>

Webmaster Fred Vogels. All rights reserved.